Dat je met het creëren van nepnieuws een goede boterham kunt verdienen, is minstens net zo alarmerend als fascinerend. Wereldwijd worden studenten opgeleid met waarden die voor iedere studierichting heilig zijn; denk aan zorgvuldigheid, hoor en wederhoor en het streven naar waarheid. Erg fascinerend. Maar een recent onderzoek door de Stanford University in de VS toonde aan dat de meeste ondervraagde Amerikaanse studenten het verschil niet zien tussen nieuwsberichten en advertorials. Erg alarmerend. Als de zege van Donald Trump bewijst dat Amerikaanse kiezers gewoon een beetje achterlijk zijn, dan is het logisch dat Amerikaanse studenten moeite hebben met het onderscheiden van waarheid en fictie. Een ver-van-ons-bed-show, want wij Nederlanders laten ons niet foppen. Denken we. Maar fake news is onderdeel van een propagandamachine die we nauwelijks begrijpen.

Weleens gehoord van het bedrijf ‘Disinfomedia’? Dat is één van de organisaties die  nepnieuwsberichten rondom de Amerikaanse presidentsverkiezingen verspreidden. Het brein achter het bedrijf bleek een huisvader uit Los Angeles te zijn. Volgens velen (denk aan internetjournalist Alexander Klöpping en NRC-redacteur Wouter van Noort) droegen de berichten van deze Jestin Coler bij aan Trumps overwinning. Coler bedacht zijn nepnieuwsberichten  naar eigen zeggen louter om rechtspolitieke Amerikanen een spiegel voor te houden. Little did he know dat zijn landgenoten (Republikeinen én Democraten) de nieuwsberichten als zoete koek zouden slikken.

Een kritische noot werd een fenomeen met een enorme impact op de Amerikaanse samenleving. Vooralsnog kunnen Nederlanders een bericht van De Speld nog wel onderscheiden van een artikel uit de Volkskrant (alhoewel). Toch moeten wij als nuchtere Hollanders niet meteen onze neuzen ophalen voor die makkelijk misleidbare, naïeve Amerikaanse kiezers. Laten we even kijken naar de Nederlandse resultaten van een recent onderzoek van Reuters. Hieruit bleek dat 33% van de ondervraagden het internet aanwendt als belangrijkste nieuwsbron. Daarvan gebruikt 38% Facebook; 13% Google en 10% Twitter om het nieuws te checken. Toegegeven, de meerderheid van de Hollanders raadpleegt nog altijd de traditionele (offline) media als nieuwsbron.

Toegepast op de aankomende Tweede Kamerverkiezingen, moeten we wel beseffen dat één derde van de Nederlandse bevolking zich daarover laat informeren via online kanalen. Het is nog niet te laat voor de Nederlandse Jestin Coler om zich te melden en hierop in te spelen. Hoe onwaarschijnlijk de weldenkende Hollander het ook acht; niemand kan met zekerheid garanderen dat Nederland niet óók eindigt met een bewindhebber met een peroxidekapsel.

Mediapsycholoog Mischa Coster denkt dat het afhangt van de doelstelling of fake news gevaarlijk is. Voor entertainment doeleinden is nepnieuws veelal onschuldig, maar in politieke kwesties kan het de publieke opinie negatief beïnvloeden. Toch denkt Coster dat de invloed ervan op de Nederlandse politiek nihil zal zijn. Sarcasme en satire zijn ons land niet vreemd, maar als het erop aankomst zal de (politieke) waarheid snel genoeg boven water komen.

Evengoed verandert het medialandschap en moeten media hierop inspelen. Kijk maar naar de consumptiezijde. Wij willen als geëngageerde burgers graag zo snel mogelijk onze nieuwshonger stillen, maar alleen op het moment dat we trek hebben. En als het even kan willen wij ook onze dorst naar betrouwbare informatie lessen, terwijl we ons bezatten middels dubieuze (social) media. Wellicht is het vermogen van de gemiddelde Nederlander om feit van onzin te scheiden, pas na de Tweede Kamerverkiezingen te bevatten.