De jeugdzorg in Nederland is zwaar onder de maat, concludeerde de Monitor Transitie Jeugd deze week. Sinds de gemeenten verantwoordelijk zijn voor de zorg, blijven de klachten van ouders en kinderen binnenstromen. Professionals krijgen hier op dagelijkse basis mee te maken. Hoe ervaren zij de decentralisatie op de werkvloer?

Voor Jacqueline Gomes, werkzaam als zelfstandig Jeugdhulpverlener en adviseur Jeugdhulp, is het lastig om met de nieuwe wet te werken. Zij valt voornamelijk over de manier waarop cliënten tegenwoordig indicaties voor behandelingen moeten krijgen. Vóór de decentralisatie werd er steeds voor twee jaar een indicatie afgegeven en zo kon de professional aan het werk. Sinds de decentralisatie heeft de bureaucratie de overhand gekregen en moeten herindicaties eerst op papier worden bevestigd voordat ze uitgevoerd mogen worden. “Het is nu onmogelijk maatwerk te leveren. Mensen worden op stang gejaagd doordat ze lang op een herindicatie moeten wachten. Ik ben met één cliënt een jaar bezig geweest om die herindicatie op de juiste manier rond te krijgen.”

Stress
Doordat cliënten soms maanden op bevestiging van de herindicatie moeten wachten, kan de behandeling nog niet beginnen. Dit levert veel stress op bij de ouders wat invloed heeft op het gedrag van het kind. “Het zijn hele kwetsbare gezinnen waar wij mee te maken krijgen en daar wordt totaal geen rekening mee gehouden.”

Savanne Hintzen was via Serviceorganisatie Jeugd ZHZ betrokken bij de uitvoering van de nieuwe Jeugdwet voor zeventien gemeentes. “De jeugdzorg is kleinschaliger geworden, op het niveau van gemeente. Dat zorgde er eigenlijk voor dat álle structuren die er waren, álle afspraken, in één klap weg waren. Dat hebben wij opnieuw moeten opbouwen. “

Hintzen snapt de onvrede van Gomes en geeft aan dat er voor de decentralisatie meer vrijheid was. Voorheen konden professionals na de behandeling aangeven wat ze hadden gedaan en welke prijs daarbij paste. “Toen hoefden ze niet van tevoren aan te geven wat ze wilden gaan doen. Dat moet sinds de decentralisatie wel, maar dat bleek niet houdbaar.” Het gevolg voor Gomes is dat zij soms drie maanden moet wachten op betalingen en voor elke herindicatie extra verslagen moet schrijven. “Dat is echt een ramp en ik weet dat meer hulpverleners daar problemen mee hebben.”

Werkt twee kanten op
Hintzen: “Daarnaast is het niet gebruikelijk dat iemand aan de specialisten voorschrijft welke zorg zij moeten leveren. Daar merk je soms wel frictie in en daar hebben we soms het beleid op aan moeten passen.” Bij de Serviceorganisatie Jeugd ZHZ merkt Hintzen ook dat dat er veel onvrede heerst over de gang van zaken na de decentralisatie. “Veel dingen zijn nu nog onduidelijk. Alles is wel uitgedacht, maar nog niet gerealiseerd. Dat is lastig om mee te werken.”

Wel benadrukt Hintzen dat de problemen van twee kanten komen. Een voorbeeld is de overgangsregeling waarbij kinderen die al vóór 1 januari 2015 zorg kregen, recht hebben om deze te behouden tot 2016. “We hebben bij de ingang van de nieuwe Jeugdwet alle zorgaanbieders gevraagd om informatie over de kinderen op te sturen, maar die informatie kwam soms pas in oktober en november en dat is natuurlijk heel erg laat.”

Op bezuinigingen gericht
Gomes hoopt ook dat er snel verandering komt in het huidige systeem. “Bij de gemeente zetten ze nu mensen neer die totaal geen zorgachtergrond hebben. Die vragen aan cliënten die om zorg vragen ‘kunt u dat zelf dan niet?’. Het wordt er niet beter op om dat nog een keer te benadrukken naar dit soort mensen toe.” Ze ziet graag dat de juiste expertise aan de behandelkant terugkomt, zodat er gelijk een goede zorgkeuze gemaakt kan worden en tijd kan worden bespaard. “Dan hoeven de mensen die hulp nodig hebben niet met nóg zeven verschillende partijen te overleggen en op zoek te gaan naar iemand die het misschien wel weet. Het is allemaal op bezuinigingen gericht en niet op vraag. Hulp hoort altijd op vraag gericht te zijn.”