Nog nooit waren er zo veel mensen wereldwijd op de vlucht voor oorlog en geweld als in de afgelopen twee jaar. In 2015 zijn volgens Vluchtelingenwerk zo’n 250 duizend vluchtelingen naar Nederland gekomen. De komst van deze grote groep vluchtelingen leidt tot een groot tekort aan docenten, waarschuwt minister Lodewijk Asscher (PvdA). Dit tekort aan docenten wordt nu opgevuld door maatjesprojecten.

In Leiden gaan bijvoorbeeld ongeveer honderd gevluchte kinderen met verblijfsvergunning niet naar school. De gemeente wil de lange wachttijden voor les voor jonge vluchtelingen wegwerken met behulp van een internationale schakelklas (ISK). In een leegstaand gebouw krijgen ze in eerste instantie les in de Nederlandse taal. Als ze dit goed beheersen, kunnen ze doorstromen naar het reguliere onderwijs

 

Taalmaatjes

Een voorbeeld van een maatjesproject is Gilde Samenspraak Leiden (GSL). Dit is erop gericht anderstaligen snel Nederlands te leren met behulp van een taalmaatje. Dit maatje is een vrijwilliger die de anderstalige één keer in de week bezoekt of iets leuks met hem of haar gaat doen op een informele manier: gewoon thuis op de bank, in de bibliotheek of op een terrasje in de stad. Zo leert de anderstalige spelenderwijs de taal en maakt hij of zij kennis met de gebruiken van de Nederlandse cultuur. Coördinatoren bekijken geregeld of het contact nog goed verloopt.


De Nederlandse Soraia (25) is taalmaatje bij GSL. Ze is gekoppeld aan vluchteling Abboud (19), een Syrische jongen. 

soraia

Borrelnootjes en chocoladeletters
Het leuke aan een taalmaatje is volgens Soraia dat je iets aan een ander leert, zoals Nederlandse gebruiken en tradities. “Ik spreek om de week met mijn maatje af om anderhalf uur bij te kletsen of iets leuks te doen. Zo zijn we een dag naar de supermarkt gegaan en hebben we gekeken welke woorden hij kende. Probeer dan maar het concept van ‘borrelnootjes’ en ‘borrelen’ uit te leggen.” 

Oorlog
Naast alle leuke uitjes en gesprekken, worden ook serieuze onderwerpen besproken. “We hebben gesproken over de oorlog en over de keuze van zijn ouders om naar Nederland te komen. Dit zijn heftige dingen, waar wij ons niets bij kunnen voorstellen. Zijn gezin was bijvoorbeeld nog in Syrië en zijn vrienden woonden verspreid over Europa. Hij sprak amper Nederlands en wist niets van de Nederlandse cultuur. Hij wilde graag meedraaien hier, de taal leren en wiskunde gaan studeren.”

“Het is erg leerzaam om een taalmaatje te hebben en ik raad het iedereen aan. Ik denk dat we er allebei veel aan hebben gehad. Hij leerde de taal en beiden leerden we over elkaars cultuur.”