Naast de maatjesprojecten voor vluchtelingen, zijn er ook maatjes voor mensen die door bepaalde omstandigheden, bijvoorbeeld door het hebben van een handicap of een geestelijke ziekte, behoefte hebben aan iemand die er voor hen is. Corrie Loijenga (69) is vrijwilliger bij een maatjesproject voor psychiatrisch patiënten. “Sommige van deze patiënten hebben geen familie die naar hen omkijkt. Ze worden vergeten en zijn ontzettend eenzaam.”

Corrie is sociaal maatje. Ze gaat een keer in de maand met zelfstandig of begeleid wonende psychiatrisch patiënten op pad, bijvoorbeeld naar de kerk, de kapper of de schouwburg. Dit geeft deze patiënten de kans om er even tussenuit te gaan en over iets anders te praten dan hun problemen. “Patiënten kunnen zich per activiteit inschrijven op lijsten in het complex waar ze wonen en andere vrijwilligers en ik gaan dan met ze mee. Niets is verplicht, maar alles mag”, zegt Corrie.

Volgens Corrie is maatje zijn dankbaar werk: “De patiënten hebben niet veel om naar uit te kijken. Zonder de georganiseerde activiteiten zitten ze vooral binnen en volgen ze enkel hun behandelingen.” Vaak hebben ze geestelijke problemen van de patiënten – zoals zware depressies – tot gevolg gehad dat de familiebanden zijn verslechterd of er zelfs helemaal niet meer zijn. Hierdoor zijn ze in een sociaal isolement geraakt. “Het schrijnende is misschien wel dat het ook om veel jonge mensen gaat, die zelf geen uitzicht meer zien op een goede toekomst. Ik wil ze graag helpen de toekomst wat rooskleuriger in te zien.”

Naast maatje bij GGNet is Corrie ook vrijwilliger bij de Zonnebloem. Met deze stichting gaat ze elk jaar op vakantie met mensen met een handicap. “Vrijwilligerswerk is zo iets moois. Het voelt zo goed om anderen te helpen; ik word er zelf ook steeds een beetje beter van.”

Harde huid

Om maatje in de geestelijke gezondheidszorg te zijn, moet je volgens Corrie wel stevig in je schoenen staan: “Deze patiënten kampen met zware geestelijke problemen en kunnen erg onvoorspelbaar zijn. Ik kijk niet raar op als een patiënt zegt dat ze me niet aan kan kijken omdat ze me een vreselijk persoon vindt of zegt dat ik op kan rotten. Gelukkig kan ik hier goed mee omgaan.”